Box 3 is de categorie binnen de Nederlandse inkomstenbelasting waarover je belasting betaalt over je vermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning, op basis van een fictief rendement.
Laatst bijgewerkt: juni 2026
€ 59.357. Tot dat bedrag aan vermogen betaal je in 2026 geen cent box 3-belasting. Pas boven die grens rekent de Belastingdienst mee. Toch is box 3 in 2026 alles behalve eenvoudig: de overbruggingswetgeving is nog van kracht, een tegenbewijsregeling geldt al sinds 19 juli 2025, en het langverwachte nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement laat tot minstens 2028 op zich wachten. Dit artikel legt uit hoe box 3 in 2026 precies werkt, welke percentages gelden en wat je kunt doen als het fictief rendement hoger uitvalt dan jouw werkelijke rendement.
- 🟢 Heffingsvrij vermogen: € 59.357 per persoon (€ 118.714 voor fiscale partners)
- 🟢 Fictief rendement banktegoeden: 1,28%
- 🔴 Fictief rendement beleggingen en overige bezittingen: 6,00%
- 🟡 Fictief rendement schulden: 2,70%
- 🟡 Belastingtarief box 3: 36%
- 🟡 Peildatum vermogen: 1 januari 2026
- 🔴 Nieuw stelsel werkelijk rendement: uitgesteld tot minimaal 2028
- 🟡 Tegenbewijsregeling: in werking per 19 juli 2025 (aangenomen Eerste Kamer 8 juli 2025)

Wat is box 3 en hoe werkt het in 2026?
Het Nederlandse belastingstelsel is verdeeld in drie boxen. Box 1 belast inkomen uit werk en woning. Box 2 belast inkomen uit aanmerkelijk belang. Box 3 belast je vermogen: spaargeld, beleggingen, verhuurde woningen en andere bezittingen die niet in box 1 of 2 vallen.
Het bijzondere aan box 3 is dat de Belastingdienst niet jouw werkelijke winst belast, maar een fictief rendement. De overheid veronderstelt dat je een bepaald percentage aan rendement behaalt op je vermogen. Over dat fictieve rendement betaal je 36% inkomstenbelasting. Dat maakt box 3 wezenlijk anders dan box 1, waar je werkelijke inkomen centraal staat.
In 2026 werkt de Belastingdienst nog met de zogeheten overbruggingswetgeving. Dit is tijdelijke wetgeving die geldt zolang het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement niet klaar is. Die overbruggingswetgeving is nauwer afgestemd op werkelijke rendementen dan het vroegere systeem met één vast forfaitair percentage voor alle vermogen.
Heffingsvrij vermogen 2026: de drempel
Niet iedereen betaalt box 3-belasting. De Belastingdienst hanteert een heffingsvrij vermogen: een bedrag waarover je geen belasting betaalt. In 2026 bedraagt dat € 59.357 per persoon. Heb je een fiscale partner, dan geldt het dubbele: € 118.714 gezamenlijk.
Het vermogen wordt vastgesteld op de peildatum van 1 januari 2026. Alles wat je die dag bezit boven de vrijstellingsgrens, telt mee voor de berekening. Ligt jouw totale box 3-vermogen op of onder € 59.357? Dan hoef je niets te betalen. Dat scheelt soms honderden euro’s per jaar.
De vrijstelling geldt voor het nettovermogen: bezittingen minus schulden. Schulden verlagen dus je belastbare grondslag, al gelden daarvoor specifieke regels. Meer over het heffingsvrij vermogen en hoe je het slim inzet, lees je in het artikel over heffingsvrij vermogen 2026.
Fictief rendement 2026: drie percentages
Onder de overbruggingswetgeving rekent de Belastingdienst met drie afzonderlijke rendementspercentages, afhankelijk van de categorie vermogen. Dit is een verbetering ten opzichte van het oude systeem, waarbij één percentage voor al het vermogen gold. De percentages voor 2026, zoals gepubliceerd door de Belastingdienst, zijn:
| Categorie | Fictief rendement 2026 | Wat valt hieronder? |
|---|---|---|
| Banktegoeden | 1,28% | Bank- en spaartegoeden (NL en buitenland), kasgeld boven vrijstelling, premiedepots, groene spaartegoeden (niet-vrijgesteld deel), VvE-aandeel, derdengeldrekeningen |
| Beleggingen en overige bezittingen | 6,00% | Aandelen, obligaties, effecten, tweede woning (NL en buitenland), verhuurde woning, cryptovaluta, overige vorderingen, winnende loterijloten |
| Schulden | 2,70% | Alle schulden in box 3 (met uitzondering van schulden tussen fiscale partners en tussen ouders en minderjarige kinderen) |
De Belastingdienst past het percentage toe op het bedrag in elke categorie, nadat het heffingsvrij vermogen is afgetrokken. De verhouding tussen je banktegoeden en beleggingen bepaalt dus sterk hoe hoog je aanslag uitvalt. Iemand met uitsluitend spaargeld betaalt op basis van 1,28% een stuk minder dan iemand met dezelfde hoeveelheid vermogen in beleggingen.
Concreet voorbeeld: zo berekent de Belastingdienst jouw aanslag
Stel: je hebt op 1 januari 2026 een totaal vermogen van € 100.000, volledig op een spaarrekening. Je hebt geen fiscale partner en geen schulden.
- Totaal vermogen: € 100.000
- Heffingsvrij vermogen: € 59.357
- Belastbaar vermogen: € 40.643
- Fictief rendement (1,28% × € 40.643): circa € 520
- Box 3-belasting (36% × € 520): circa € 187
Niet ideaal als je spaartarief lager lag dan 1,28%, maar voor de meeste spaarders realistisch. Wie daarentegen € 100.000 heeft in beleggingen betaalt via het 6,00%-percentage een fictief rendement van circa € 2.439 boven de vrijstelling, wat neerkomt op circa € 878 belasting. Een groot verschil. In het artikel hoeveel belasting je betaalt over € 100.000 spaargeld vind je de uitgewerkte berekening met actuele cijfers.

Wat valt er precies in box 3?
Niet elke bezitting telt mee. De Belastingdienst heeft een specifieke lijst van wat wel en niet in box 3 valt.
Bezittingen die wél in box 3 vallen
- Bank- en spaartegoeden in Nederland en het buitenland
- Aandelen, obligaties en overige effecten
- Tweede woningen en verhuurde woningen
- Cryptovaluta
- Overige vorderingen (met uitzondering van vorderingen tussen fiscale partners en ouders en minderjarige kinderen)
- Niet-vrijgestelde groene beleggingen en groene spaartegoeden
- Kasgeld boven de vrijstellingsgrens
Bezittingen die níét in box 3 vallen
- Je eigen woning (die valt in box 1)
- Pensioenvermogen (dat is vrijgesteld)
- Lijfrenteverzekeringen onder bepaalde voorwaarden
- Aandelen in een eigen BV boven 5% belang (die vallen in box 2)
- Vrijgestelde groene beleggingen tot het geldende maximum
Of en hoe een specifiek vermogensbestanddeel in box 3 valt, kan situatie-afhankelijk zijn. Raadpleeg bij twijfel altijd een belastingadviseur of de informatie van de Belastingdienst.
Box 3 en fiscaal partnerschap
Fiscale partners mogen hun box 3-vermogen vrij onderling verdelen. Dat biedt voordeel: je kunt het vermogen zo verdelen dat het belastbare bedrag voor beiden zo laag mogelijk uitvalt, of dat vrijstellingen optimaal worden benut. Het gezamenlijke heffingsvrij vermogen van € 118.714 geldt als één pot die je naar eigen inzicht kunt verdelen.
Fiscaal partnerschap geldt niet automatisch voor iedereen die samenwoont. De regels zijn strikt: je bent fiscaal partner als je getrouwd bent, een geregistreerd partnerschap hebt, of aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet als samenwoner. Lees de exacte criteria in het artikel wanneer je fiscaal partner bent.
De overbruggingswetgeving en de tegenbewijsregeling
Na de historische uitspraken van de Hoge Raad (in 2021 en een bevestiging in 2024) staat vast dat de Belastingdienst geen fictief rendement mag belasten dat hoger is dan het werkelijke rendement. Dat leidde tot de huidige overbruggingswetgeving én tot een nieuwe wet: de tegenbewijsregeling.
De Wet Tegenbewijsregeling Box 3 is op 8 juli 2025 aangenomen door de Eerste Kamer en trad in werking per 19 juli 2025. Dat betekent: als jouw werkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement dat de Belastingdienst hanteert, kun je via een apart formulier aantonen dat je minder hebt verdiend. De aanslag wordt dan op basis van jouw werkelijke rendement vastgesteld.
Hoe werkt de tegenbewijsregeling in de praktijk?
De Belastingdienst kan in jouw voorlopige aanslag voor 2026 nog géén rekening houden met werkelijk rendement, omdat die gegevens pas na afloop van het jaar beschikbaar zijn. De voorlopige aanslag gebruikt daarom de fictieve percentages. Na afloop van 2026 vul je je aangifte in en kun je daar het werkelijke rendement opgeven als dat lager is.
De tegenbewijsregeling is een optie, geen verplichting. Is jouw werkelijke rendement hoger dan het fictieve rendement? Dan betaal je gewoon belasting over het fictieve rendement. Je betaalt nooit meer dan wat het fictieve systeem oplegt, tenzij je zelf kiest voor de tegenbewijsroute en daarbij je hogere werkelijke rendement bekend maakt.
Werkelijk rendement 2026: wat telt mee?
Als je kiest voor de tegenbewijsregeling, telt de Belastingdienst alle vormen van werkelijk rendement mee. Dat omvat:
- Rente op spaargeld en deposito’s
- Dividenden en couponrente op beleggingen
- Huurinkomsten van verhuurde woningen (na aftrek van kosten)
- Koerswinsten op aandelen en andere beleggingen
- Ongerealiseerde koerswinsten (waardestijgingen die nog niet zijn verzilverd)
Dat laatste punt is relevant. Ook als je je beleggingen niet verkoopt, maar ze zijn meer waard geworden, telt die waardestijging als werkelijk rendement. Een daling wordt ook meegenomen. Meer over hoe het werkelijk rendement precies wordt berekend en hoe je het aanvraagt, lees je in de uitleg over werkelijk rendement in box 3.

Wanneer verandert box 3? De plannen voor 2028 en daarna
Het kabinet wil box 3 wezenlijk hervormen: in plaats van fictieve rendementen wil de overheid belasting heffen op werkelijk behaalde rendementen. Dit nieuwe stelsel is meerdere keren uitgesteld. De meest recente verwachting is dat invoering niet eerder dan 2028 plaatsvindt.
Wat staat er op de planning voor 2028?
In het nieuwe stelsel betaal je belasting over wat je daadwerkelijk verdient aan je vermogen: rente, dividend, huur én koerswinsten. Ongerealiseerde winsten worden waarschijnlijk meegenomen via een vermogensaanwasbelasting. Dat is een jaarlijkse heffing over de waardestijging van bezittingen, ook als je ze nog niet hebt verkocht.
Tot 2028 blijft de overbruggingswetgeving van kracht. De fictieve rendementspercentages kunnen jaarlijks worden bijgesteld. Ze worden gebaseerd op actuele marktcijfers, zodat ze zo dicht mogelijk bij de werkelijke rendementen liggen.
Wat verandert er in 2026 ten opzichte van 2025?
De structuur van box 3 is in 2026 gelijk aan 2025, maar de rendementspercentages zijn bijgesteld. Het percentage voor banktegoeden is verlaagd ten opzichte van eerdere jaren, wat samenhangt met de gedaalde spaarrente in de eurozone. Het percentage voor beleggingen en overige bezittingen staat op 6,00%. Het heffingsvrij vermogen is licht gestegen ten opzichte van 2025.
Box 3 en je voorlopige aanslag 2026
De Belastingdienst stuurt veel belastingplichtigen een voorlopige aanslag. Daarin wordt de box 3-berekening al meegenomen op basis van de fictieve rendementspercentages en je vermogen op 1 januari 2026. Klopt de inschatting niet? Dan kun je de voorlopige aanslag laten wijzigen via Mijn Belastingdienst.
De definitieve aanslag volgt na je belastingaangifte over 2026, die je in de loop van 2027 indient. Wil je de tegenbewijsregeling toepassen omdat jouw werkelijke rendement lager lag? Dan doe je dat in de aangifte zelf, via het daarvoor bestemde formulier (de Opgaaf Werkelijk Rendement).
Conclusie
Box 3 in 2026 werkt met drie fictieve rendementspercentages: 1,28% voor banktegoeden, 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen, en 2,70% voor schulden. Het heffingsvrij vermogen bedraagt € 59.357 per persoon. Boven die grens betaal je 36% belasting over het fictieve rendement. Lag jouw werkelijke rendement lager? Dankzij de tegenbewijsregeling, in werking getreden op 19 juli 2025, kun je in je aangifte het werkelijke rendement opgeven. Een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement komt er, maar pas op zijn vroegst in 2028.
Veelgestelde vragen over box 3 in 2026
Hoeveel belasting betaal ik in box 3 als ik € 100.000 spaargeld heb?
Bij € 100.000 spaargeld en geen fiscale partner is jouw belastbare vermogen in 2026 circa € 40.643 (na aftrek van het heffingsvrij vermogen van € 59.357). De Belastingdienst rekent 1,28% fictief rendement over dat bedrag, wat neerkomt op circa € 520. Daarover betaal je 36% belasting: circa € 187. Heb je hogere daadwerkelijke rente ontvangen, dan merk je geen verschil. Ontvang je minder dan 1,28%, dan kun je de tegenbewijsregeling inzetten.
Wat zijn de nieuwe regels voor box 3 in 2028?
De overheid wil box 3 vanaf 2028 laten werken op basis van werkelijk rendement. Dat betekent dat je belasting betaalt over daadwerkelijke rente, dividenden, huurinkomsten én ongerealiseerde waardestijgingen van bezittingen. Het exacte systeem moet nog definitief worden vastgesteld. Tot de invoering geldt de overbruggingswetgeving met fictieve rendementspercentages.
Wat is het fictief rendement voor beleggingen in 2026?
Voor beleggingen en overige bezittingen hanteert de Belastingdienst in 2026 een fictief rendement van 6,00%. Dit percentage geldt voor aandelen, obligaties, effecten, tweede woningen, verhuurde woningen, cryptovaluta en overige bezittingen die niet als banktegoed worden aangemerkt.
Kan ik de tegenbewijsregeling gebruiken als mijn werkelijke rendement lager was?
Ja. Als jouw werkelijke rendement in 2026 aantoonbaar lager is dan het fictieve rendement waarmee de Belastingdienst rekent, kun je via de Opgaaf Werkelijk Rendement jouw daadwerkelijke rendement opgeven. De Belastingdienst berekent de aanslag dan op basis van dat lagere bedrag. Deze mogelijkheid is beschikbaar via de aangifte inkomstenbelasting over 2026. Let op: ongerealiseerde waardestijgingen tellen ook mee als werkelijk rendement.
Hoe hoog is het heffingsvrij vermogen in box 3 voor 2026?
In 2026 bedraagt het heffingsvrij vermogen € 59.357 per persoon. Heb je een fiscale partner, dan geldt een vrijstelling van € 118.714 gezamenlijk. Alleen het vermogen boven deze grens op de peildatum van 1 januari 2026 wordt meegenomen in de box 3-berekening.